Je zit aan tafel, beetje honger, denk je aan een lekker stuk vlees. Een kipnuggetje. Een worstje. Een biefstukje. Niks mis mee. Maar dan komt Ersin Kiris op je scherm, met een pak kipfilet in zijn hand en een blik alsof hij net een spook heeft gezien. “Er zit kippeneiwit in de kip”, zegt hij. En ja, dat klinkt logisch. Totdat je beseft: waaróm zit er extra kippeneiwit in kip? Wie heeft dat bedacht? En sinds wanneer is kip niet kip genoeg?
Het begon allemaal bij een barbecue. Niet bij een influencer met een houtskoolgrill, nee, bij de Keuringsdienst. Die kocht gewoon, als gewone mensen, vlees. Burgers, ballen, worsten, stokken. En overal vond je hetzelfde: dierlijk eiwit, erbij gedaan. Alsof de kip niet kippig genoeg was. Alsof de koe zich moest bewijzen. Alsof het varken riep: “Geef me meer varkenseiwit, ik voel me leeg!”
Maar waar komt dat spul vandaan? En waarom? Ersin en zijn team van Consumentenmagazine volgen het spoor. Niet naar een geheime fabriek in de mist, nee, naar gewone slagerijen, fabrieken, keukens. En dan: bloedstollend nieuws. Niet van het soort dat je huilend onder de dekens kruipt, maar van het soort dat je ogen groot maakt bij de koffie. “Je eet dus kip… met extra kip.” Alsof je een appeltaart eet met extra appel. Maar dan in poedervorm. En dan in ballen.
Marijn Frank probeert het uit te leggen met een glimlach. Maarten Remmers kijkt sceptisch. Sosha Duysker snuift. Pieter Hulst zegt: “Ik dacht dat vlees vlees was.” En Stefan Stasse? Die roept: “Waar is de waarheid?” Anna Gimbrère luistert, knikt, en zegt dan zacht: “Misschien is het tijd voor tofu.”
Maar nee, het is geen grap. Het is ons karretje. Onze barbecue. Onze avondeten. En misschien, heel misschien, is het tijd om te vragen: wat zit er echt in dat vlees? En waarom moet kip zichzelf nog eens worden?


