Nee, niet Inge. Niet de vrouw die speciaal voor Mark een zelfgemaakte appeltaart bakt met een hartje van slagroom. Ook niet die met de zilveren laarsjes en de glimlach die tot aan de vuurtoren reikt. Mark, 38, vrijgezel sinds vijf jaar, heeft zijn hart verloren. En dat is niet aan Inge. Maar aan Irene. Ja, Irene. Die met de sjaal om haar hoofd alsof ze net van de fiets komt, maar dan wel van een filosofiecollege.
Ik zit hier met mijn thee, afstandsbediening in de hand, en denk: moet je nou juist gek doen om aandacht te krijgen? Inge met haar taart, haar zorgvuldig gekrulde krullen, haar zachte stem – alsof ze bang is dat de schapen schrikken. Maar Mark? Die kijkt dwars door haar heen, alsof ze een reclameblok is. En dan is er Irene. Die zegt dingen als: “Liefde is geen race, het is een wandeling met een kapotte schoen.” En Mark? Die knikt. Alsof hij eindelijk iemand hoort die niet over hem wil, maar met hem wil praten.
De rest van het dorp roddelt natuurlijk. “Ze is te gek voor hem,” zegt één. “Hij zoekt iemand die hem kalmeert,” zegt een ander. Maar ik denk: misschien zoekt hij gewoon iemand die niet doet alsof. Iemand die lacht om haar eigen struikelingen. Iemand die geen appeltaart bakt om indruk te maken, maar die zegt: “Ik heb honger, kook jij mee?”
En dan gebeurt het. Niet in slow motion, niet met muziek op de achtergrond. Gewoon, tussen twee schapen en een kapot fietswiel: Mark pakt Irene’s hand. Niet dramatisch. Gewoon. Alsof het tijd was.
Wie had dat gedacht? Niet Inge. Niet de regisseur. Niet de kijkers. Maar wel ik, vanaf de bank, met mijn lege mok. Soms is liefde geen show. Soms is het gewoon: een hand, een sjaal, een stilte die past.


