Nou. Dat had ik niet zien aankomen. Ik zit hier met mijn thee, afstandsbediening in de hand, en plots: Buddy Vedder. Rappt. In Eén tegen 100. Echt waar. Niet gerapportéérd, niet gesuggereerd. Rap-pen-de. Met flow. Met beat. Met… een soort petje? Ik dacht: ben ik de enige die dit ziet? Nee. De chat ontploft. “Wat ís dit?!” schreeuwde iemand. En ik schreeuwde mee. Van binnenuit.
Eén tegen 100 bestaat al langer dan mijn laatste relatie. We kennen het ritme. Vragen. Spanning. Iemand die uitvalt. Caroline Tensen, kalm als altijd. En nu dus: Buddy. Die opeens een mic vasthoudt alsof hij jaren in de underground heeft gezeten. Maar hij is geen Frenkie de Jong van de rap. Hij is Buddy. Van de radio. Met die stem. Die lieve, verwarde ogen. Niet de man die ik verwacht in een freestyle-rondje.
Maar wacht. Waarom doen ze dit? Omdat niks meer werkt? Omdat jongeren niet meer kijken? Moet het nu allemaal “hip” zijn? Moet elk programma een TikTok-dansje inbouwen? Ik snap de druk. Kijkcijfers zijn als liefde: als ze weg zijn, zijn ze weg. Maar rapsessies in een quiz? Dan kun je net zo goed met een trompet de loting doen.
Toch. Moet ik toegeven: het was grappig. Niet goed. Maar grappig. Buddy is zo ongemakkelijk cool dat het bijna lief is. Alsof je opa opeens skateboardt. Je schrikt, je schrikt nog meer, en dan moet je lachen. En dat is misschien wel het punt. Niet alles hoeft serieus. Soms is het genoeg om te zeggen: kijk, we durven gek te zijn.
Dus Buddy: je mag blijven rappen. Maar alsjeblieft, geen freestyle over mijn pensioen.


